Kantlijn in quarantainetijd | Maandag 25 mei 2020

Bijgewerkt: jul 13

Les van Ruby


Vandaag wil ik jullie, geïnspireerd door het boek Pachinko, vragen een paar generaties terug in de tijd te gaan. Dit boek van de Amerikaans-Koreaanse schrijver Min Jin Lee vertelt een Koreaanse familiegeschiedenis die vijf generaties beslaat en bijna een eeuw omspant. Het gaat over de Japanse bezetting van Korea, vóór en tijdens WOII, en over de decennia daarna, toen veel Koreaanse immigranten in Japan bleven wonen, waar ze nooit helemaal geaccepteerd werden - tot de dag van vandaag.


Het verhaal begint in het vissersdorpje Yeongdo in het zuiden van Korea, waar een visser en zijn vrouw een pension runnen. Hun zoon Hoonie trouwt met Yangjin, zij krijgen één dochter, Sunja. Vanaf 1910, wanneer Korea door Japan wordt bezet, heerst er armoede en honger. Nadat Hoonie overlijdt, runnen moeder Yangjin en dochter Sunja het pension, waar ze redelijk van kunnen leven. Totdat Sunja begin jaren 30 zwanger raakt van een rijke Japanner die al getrouwd blijkt te zijn. Een zachtaardige Koreaanse dominee die in het pension verblijft, biedt aan om met Sunja te trouwen, om haar de schande van het alleenstaande moederschap te besparen. Hij is op doorreis naar zijn broer in Osaka (Japan). Sunja accepteert het aanbod en gaat met hem mee. Ze bevalt in Osaka van haar eerste zoon, en een paar jaar later van haar tweede. Het boek vertelt hun levens en uiteindelijk ook weer dat van hun kinderen.


Koreanen hebben het in die tijd heel zwaar in Japan. Banen zijn er nauwelijks en Japanners kijken op ze neer. Uiteindelijk vinden de zonen van Sunja hun weg uit de armoede door hard te werken en zich telkens te bewijzen als ‘goede’ Koreaan.


Het mooie aan dit boek is dat het over grote gebeurtenissen uit de geschiedenis gaat, maar ook over alledaagse en universele familiekwesties. Zwangerschap, ziekte, werk, school, geld, liefde, drankgebruik. Door de generaties te leren kennen, begrijp je als lezer waarom mensen doen wat ze doen. Als jouw (groot)ouders grote armoede hebben gekend, werkt dat door. Als jij op jonge leeftijd je vader bent verloren, heeft dat een leven lang effect. Als je (groot)ouders uit een ander land zijn geëmigreerd, als je opa en oma een oorlog hebben meegemaakt, als een oudoom zelfmoord heeft gepleegd; het zijn allemaal gebeurtenissen die nog generaties lang rondzweven.


Opdracht: 

Ik wil jullie dus vragen een paar generaties terug in de tijd te gaan. Je mag je verhaal baseren op wat je echt weet uit je eigen familie, maar je mag ook iets verzinnen. Probeer je voor te stellen hoe jouw voorouders eind 19e of begin 20e eeuw leefden. Waar woonden ze? Wat waren hun problemen, en wat bracht juist vreugde? Hoe kwamen ze rond? Wat bracht ze schande, of juist eer? Misschien is er wel een sterk familieverhaal over een over-overgrootvader of -moeder dat je weleens gehoord hebt.

Je tekst hoeft dus niet over jou te gaan, maar over je (denkbeeldige) voorouders. Het hoeft niet waargebeurd te zijn. Het belangrijkste is om een tijd en een plaats te bepalen (bijvoorbeeld: Groningen 1910, Keulen 1923, Casablanca 1941 of Amsterdam 1934) en te schetsen hoe jouw voorouders toen leefden. Dat kan zijn door ‘een dag uit hun leven’ te beschrijven, of bijvoorbeeld te vertellen hoe je (over)grootvader je (over)grootmoeder ontmoette. Probeer je in hun perspectief in te leven. 


Voel je natuurlijk ook vrij om het anders aan te pakken als je dat liever doet.


Mijn Grootvader van Vaders kant

Een Familiegeschiedenis

Hij [mijn grootvader] leefde tijdens de Tweede Wereld Oorlog.

Hij was Ambonees = Zuid-Molukker.

Hij zat in de KNIL = Koninklijk Nederlandse Leger.

Hij werd Apotheker door studie in het Nederlandse leger.

Hij werd stinkend rijk, zo kon hij de Nederlandse Nationaliteit kopen.

Hij trouwde een Chinese vrouw met een kind.

Mijn vader trouwde een Chinese vrouw.

Dus technisch ben ik driekwart Chinees.

En een kwart Ambonees en misschien scheutje Hollands en Portugees bloed.

Ik ben dus een mengelmoes van rassen.

Te vergelijken met hutspot of stamppot,

Waar ik dol op ben.

Veel Abonezen namen dienst in het Ned. leger om de armoede te ontvluchten.

Ambonezen stonden bekend dat ze een kort lontje hadden en dat ze strijdlustig en trots en trouw waren.

De Ambonezen werden al gauw een elite groep in het Nederlandse leger.

Tegenwoordig zijn ze te vergelijken met commando's in een modern leger.

Ze waren fanatieker dan de gewone soldaten.

Ze bemanden de voorste linies van het leger waar de meeste slachtoffers vielen.

Maar mijn grootvader had hersens.

Hij zag kans toen hij in het leger zat om voor apotheker te studeren.

Hij werd zo rijk dat hij de Nederlandse Nationaliteit kon kopen.

Automatisch werden zijn kinderen ook Nederlanders met een Nederlandse paspoort.

Na de Tweede oorlog toen Indonesië onafhankelijk werd

Besloot de eerste president van Indonesië, Soekarno.

Dat alle Nederlanders het land moesten verlaten.

Of ze hadden de keus om Indonesiërs te worden

Mijn familie van moederskant, allemaal Chinezen.

Kozen om in Indonesië te blijven en Indonesiërs te worden.

Maar de familie van mijn vaderskant kozen om naar Nederland te komen

Zo ben ik hier terecht gekomen..

Ik had het idee dat mijn vader liever in Indonesië was gebleven.

Hij heeft dan ook niet 65 gehaald

Ik zal niet het rampen levens verhaal van mijn vader vertellen,

en ook niet van mijn moeder vertellen.


Dan zal het verhaal te lang worden

Kort gezegd ; Ze hadden nooit Indonesië moeten verlaten.

Hun wortels lagen daar.

Ik zal met mijn verhaal eindigen;

Word dit jaar 68  en heb 2 hartaanvallen en een herseninfarct overleefd.

Draag een pacemaker en een ICD, slik 13 pillen per dag om mijn hart draaiend te houden.

Mijn hart werkt maar voor één derde. ICD zorgt als mijn hart stil staat.

Dat het met een  electro .stoot weer op gang komt

Tegen een herseninfarct kan ik niets doen.

Door de pandemic werd ik wakker geschud

Dat ik niet zoveel tijd had als ik had gedacht

Als ik nog toekomstplannen had.

Moest ik dit jaar iets ondernemen

Want wie weet welke rampen in de toekomst nog in het verschiet liggen.

Dit zijn mijn plannen;

Ga dit jaar in de winter naar Bali.

Buiten het  seizoen is een ticket naar Bali de helft goedkoper dan in het hoogseizoen.

Ubud= Balines kunstenaarsdorp. heb ik vaker bezocht en ik ken een Nederlandse vrijwilliger die daar woont.

Er bestaat een schilders collectief van rolstoel schilders in Ubud.

Ik wil daar de rest van mijn tijd en geld daar besteden

Om ze op weg te helpen.

Zo is de kring symbolisch gesloten

Met mijn terugkomst in mijn Moederland , Indonesië.

- Ronald Pessy

Amstelredamme


Amstelredamme 1820, Betovergrootoma Rosa is van Spaanse komaf. Het is de pre-freudiaanse tijd. Er is mij niet veel bekend,


Amstelredamme 1890, mijn overgrootmoeder (van moeders kant) is in een iets frivolere tijd opgegroeid, 20 jaar eerder wordt Amstel 1870 gebrouwen, een lekker fris biertje

nog verkrijgbaar,


In 1890 ontstaat het gelijknamige Café aan Het Amsterdamse Bos en is inmiddels enige keren van eigenaar gewisseld.  

1916, Eerste Wereldoorlog, Spaanse Burgeroorlog volgen elkaar op, in mijn familie beide sterk beleefd; veel honger, dreiging, zwangerschap..    1916, Te Amstelredamme , geboorte van mijn Oma, ik heb haar nioit gekend, mijn Opa ook niet, van de eerdere Bet-en overgrootvaders aan die kant is mij niets bekend,      


Mokum 9-10,1937, Mijn Moeder Maria Carolina Nordsieck wordt geboren, zij groeit op in De Bentinckstraat in De Hoodstedeljjke Staatsliedenbuurt, na een aantal jaar wordt mijn moeder weggeschonken aan een heel lief stel, De Familie Van Dael die in De AM De Jong(Schrijver)straat wonen, waarom dat gebeurt, is is mij niet bekend, mijn lieve moeder had zulke lieve pleegouders en wilde niets meer met haar biologische moeder te maken hebben. Mijn moeder doorloopt de huishoudopleiding, is zeer sociaal en begaan met mens en dier.

             

1-3,1940, Robert Dick Bergmeijer word geboren, ik denk in Mokum, zijn moeder Tooske (To) Lolkena, is van 3-3,1918, geboren te Leeuwarden, Een fijne vrouw met veel broers en een lieve zus, Tineke die de vrouw was van Karel Mioch, ze hadden 2 zonen, Rob en René, de laatste is groot geworden door film en video op tv, vroeger met Simon Van Collem, later Jack Goderie, hij was mijn grote voorbeeld qua journalistiek en het interviewen van vele artiesten, waaronder Herman Brood, Nina Hagen, Olivia NJ, Mel Gibson, Keith Richards (Stones) in ‘82, dat heb ik nog op een BASF Bandje, alsmede vele anderen ..    Karel was ooit Dominee in Jisp-Noord Holland en Wapserveen (Drenthe), Tineke en hij deden vele goeie dingen voor zigeunerkinderen in Hongarije en veel meer, mijn oma trouwde Frans Serlijn (Amstrlredamme 1906), deze man was een kordate harde man, mijn vader moest met zijn 5e naar kostschool, was bij De Bevrijding met mijn Oma die ze ternauwernood overleefden en mocht van hem niet bij mijn Oma’s 2e huwelijk zijn, mijn Oma’s 1e man verliet haar, die heb ik ook nooit gekend, toen hij stierf maakte ik nog mee, mijn vader ging varen op De Grote Vaart toen hij 16 was, hij haalde zijn Hogere Zeevaartschool,            

3-2 .1966, Te Mokum, Marcel Bergmeijer, opgegroeid Slotermeer,erg rustig, Jan Bernardusstraat en daarna Stadionweg; er volgt een jeugd van scholen, scholen, scholen, zelfde met voetbalclubs, klasgenoot van Edwin De Roos Van Zuilichem en Eva Van Der Spek, dochter van Fred-PSP op de Daltonschool,Pedagogisch Psycholoogisch Instituut en jaar internaat in Twello,      

13-4,1970, Michael Bergmeijer te “Makom”, Daltonschool ook, er gebeurde wel iets vreemds; nadat ik van De Dalton werd gestuurd op de helft van mijn laatste jaar, ging ik naar De Cornelis Crusemanschool, nabij De Lairessstraat, mijn broertje ging daar ook naartoe, ik had een eindlustrum met mij als Prins en een jeugdvriendin als Prinses, het jaar daarop op De Mavo zaten wij wederom samen in de klas, er was daarvoor een kalverliefde eens...in 1988 ontmoette ik haar terug en vele jaren later weer, nu zijn wij nog vrienden, mijn broer verging het vrij goed op school, ik was rebelser, dit verhaal kan vervolgd worden, maar nu is het even uit..


- Marcel Bergmeyer


Haagse Kringen

1939. Mijn vader’s oudste broer, Dick Roozendaal, was 27 jaar en zag de bui in het oosten al hangen. Hij solliciteerde en kreeg van het Ministerie van Oorlog de baan van zijn dromen. Militaire politie agent op Aruba. En zo vertrok hij met zijn liefje Miep naar de West. Hij bereikte daar al spoedig de rang van Sergeant en moest een oogje in het zeil houden op de cocaïnehandel. Dick was een joviaal karakter en mogelijk kneep hij af en toe een oogje dicht.  In 1946 kwam hij namelijk samen met Miep terug naar Nederland. Op wonderbaarlijke wijze bleek hij te beschikken over een aardig kapitaaltje. In 1939 bezat hij echt geen cent. Nu begon hij in Den Haag te handelen in onroerend goed.

In 1949, ik was zo ongeveer drie jaar, merkte Dick en Miep als zij bij ons op bezoek waren, dat het niet boterde tussen mij en mijn Moeder. Ik mocht een tijdje bij hen in Den Haag logeren.  Dick had een eigen auto en zo ik maakte zo mijn eerste autotochtje. Ze woonden op stand. Een ruim huis met zelfs een badkamer wat luxe was in die tijd.  Ik was de wastobbe thuis gewend. ‘s-Avonds wilde tante Miep mij douchen maar ik protesteerde heftig. Ik verstopte mij achter de grote gordijnen. Toen Miep mij daar vond, stamelde ik steeds, “doet pijn, doet pijn”. Tante Miep had de grootste moeite mij ervan te overtuigen dat het echt geen pijn zou doen. Tenslotte ging ik onder de douche. Het deed inderdaad geen pijn. Ik wist niet beter dan dat waterboarden wat mijn moeder deed als ik haar aanwijzingen niet begreep, bij het baden hoorde.

Later hoorde ik dat Dick geprobeerd had mij van mijn ouders over te nemen. Dat was tegen het gevoelige ego van mijn vader natuurlijk. Dick en Miep hadden zelf graag kinderen gehad maar dat was niet mogelijk gebleken.

Toen ik tien jaar was en weer bij Oom Dick en Tante Miep mocht logeren, hebben ze het nog eens geprobeerd maar tevergeefs. Daarna is het contact heel beperkt geworden. Dick deed intussen goede zaken op de vastgoedmarkt.

Oom Dick, hij was intussen tweemaal weduwnaar geworden, had in 1986 behoefte aan een verzorgster. Hij vond een aardig typetje. Ellen heette de Haagse schoonheid en ze moet haar werk voortreffelijk gedaan hebben.  Dick besloot met haar in het huwelijk te treden.  Niet lang daarna was voor Dick het nabij einde gekomen. Hij had veel poen na te laten dus broers, zussen, neven en nichten kwamen op bezoek om te voorkomen dat Dick ze in zijn testament zou vergeten. Ik zelf wilde graag afscheid nemen want hij was altijd goed voor me geweest. Ik was echter al jaren niet meer bij hem geweest en was bang dat hij zou denken dat ik vanwege zijn geld op bezoek zou komen. Ik ben dus niet geweest.

Nadat Dick overleden was, kwamen alle belanghebbenden bijeen om te horen wie wat van Dick geërfd had.

“De crimineel” hoorde ik mijn vader later vloeken. Whow wat ging die man te keer tegen wijlen zijn oudste broer. Pas veel later hoorde ik wat er gebeurd was.


Haagse Ellen was eigenlijk een prostituee. Uit bescheidenheid had ze maar een klant, onze Dick dus.  Ze wist hem zo goed te knuffelen dat hij haar kort voor zijn dood, tot zijn wettige echtgenote maakte met gemeenschap van goederen. De gehele nalatenschap ter waarde van 75 miljoen gulden was dus naar Ellen gegaan.  Rechtszaken leverden niets op. Mijn tante Ellen die ik nog nooit ontmoet had, schijnt er daarna goed van geleefd te hebben. Ja over familieleden van mij kan ik echt wel een boek schrijven. 


- Peter

AART


In mijn familie zijn heel wat mannen met deze naam te vinden. Zo ook mijn

vader. Èn de stamvader van onze familie. Ooit is iemand dat gaan uitzoeken en

kwam in de 16 e eeuw terecht bij, jawel, ook een Aart. Deze Aart was vanuit een

gehucht aan de Maas, net onder Den Bosch stroomafwaarts gevaren en blijven

steken in Oud- Beijerland. Aan de Zinkweg aldaar betrekt hij een huis, trouwt

Pleuntje en krijgt 9 kinderen, die niet allemaal in leven bleven. Tot zover niets

bijzonders. Hij was schipper van beroep, maar aan de vaste wal heb je daar niet

veel aan. Maar hij kende zijn pappenheimers. Na een dagje varen met een

lading hebben de schippers wel zin in een verzetje en soms ook behoefte aan

een slaapplaats aan wal. Zo vatte deze Aart het plan op om daar aan de Maas

een logement, een herberg te beginnen met een oversteek naar het Nieuwe

Beijerland, het Nieuw-Beijerlandsche veer over de Spuy (Spui). Aldus

geschiedde en het legde hem geen windeieren.

Het oude veerhuis is in 1790 afgebroken. Maar er is een nieuw veerhuis

gebouwd iets verderop aan de Maas.


- Sytske van Bochove

10 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven